Kabels & Leidingen
Een heldere grondgedachte is hard nodig
Bij de aanleg van kabels en leidingen ontbreekt een noodzakelijke integrale aanpak. Door de behoefte (Maslov), kwaliteit (Deming) en organisatie (Mintzberg) duidelijk te benoemen, vast te leggen en te controleren, kan de kans op schades en extra kosten voor de betrokken partijen bij het graafwerk evenredig afnemen.
Ir. F.C. de Ruyter de Wildt
De afgelopen jaren is het werken in de ondergrond in toenemende mate in de publiciteit gekomen. Een in het oog springend incident was de gasontploffing in België in de zomer van 2004, met een groot aantal doden en gewonden, een indirect gevolg van graafwerkzaamheden aan leidingen. Dit heeft ertoe geleid dat in Nederland het ministerie van Economische Zaken een wet heeft voorbereid die onlangs door de Eerste Kamer is aanvaard en op korte termijn in werking zal treden. De WION, Wet op de Informatieuitwisseling Ondergrondse Netwerken, ook wel de grondroerdersregeling genoemd (zie Land+Water 1/2-2008), regelt op hoofdlijnen de informatievoorziening tussen netbeheerder en grondroerder en ziet toe op een zorgvuldig grondwerk van de aannemer. Aangezien deze wet de hoofdlijnen regelt, zijn er nagenoeg geen details in uitgewerkt. Hierdoor ontstaan momenteel initiatieven om duidelijkheid te scheppen in deze – voor menigeen – complexe materie. Een goed voorbeeld is de richtlijn ‘Zorgvuldig Graafproces’ (zie Land+Water 10/2007) van CROW. Daarnaast wordt gecommuniceerd door het ministerie zelf en de brancheorganisaties. Deze goed bedoelde acties hebben in ieder geval één ding gemeen: ze brengen voor de bouw opnieuw een ongelooflijk grote papierstroom op gang.
De vraag rijst of dit opdrachtgevers en beheerders van ondergrondse infrastructuur moet bewegen het graafproces te auditen en monitoren. De ervaring leert dat dit ondanks de extra kosten toegevoegde waarde heeft doordat de kans op graafschades erdoor wordt verkleind en de kwaliteit van het geleverde werk verhoogd wordt. Een boven het proces geplaatste manager kan de belangen van de verschillende partijen uit elkaar houden en tegelijkertijd zaken coördineren, door te letten op de individuele behoeften (Maslov), de uiteindelijke kwaliteit (Deming) en de organisatie (Mintzberg) van het graafwerk. Een werkwijze die in de Nederlandse wereld van kabels en leidingen in het algemeen nog een vreemd verschijnsel is.
Behoefte
De bedenker van de behoeftehiërarchie, Maslov, (veelal weergegeven in een piramide) baseert het handelen van mensen op persoonlijke behoeften en belangen en laat zien dat deze hiërarchisch te ordenen zijn.
Zodra basisbehoeften ingevuld zijn, komen hogere behoeften in beeld om ingevuld te worden. Bij discussies rond graafschades kan dit een ‘interessant’ standpunt worden.
De ‘primaire levensbehoefte aan zuurstof’ komt al snel aan bod, indien men toevallig tegen de graafmachine leunt, wanneer deze een 24 kV-kabel of gasleiding zou raken.
Maar ook minder indrukwekkende schades kunnen de bestaanszekerheid beïnvloeden. Aangezien behoeften als ‘snel werken’ en ‘grotere marges’ op het werk zich theoretisch laten vertalen naar een hoger gelegen punt op de piramide van Maslov, kan snel de conclusie getrokken worden dat het de voorkeur geniet veilig en zorgvuldig te werk te gaan. In de praktijk blijkt dit een van de gemakkelijkste argumenten te zijn om een gedragsverandering af te dwingen naar meer zorgvuldigheid tijdens het werk. Lastiger wordt het als de persoonlijke schade minder ingrijpend is (telecomkabels, waterleiding, riolering) en dus minder snel ‘de onderste lagen van Maslovs model’ worden benaderd.
Kwaliteit
Op dat moment kan de filosofie van Deming op het graafwerk worden losgelaten. Deming heeft ons een methode van kwaliteitsverbetering gegeven, die bekendstaat als de ‘Deming-cirkel’. Er bestaan commerciële varianten op dit model, zoals TQM, Prince2, Lean en 6Sigma. Ze voegen allemaal iets toe of gaan soms voorbij aan aspecten van Deming, die mogelijk wel relevant kunnen zijn. Hoe dan ook ligt de basis van al deze modellen bij Deming, die zich pragmatisch naar de praktijk laten vertalen.
Zijn model gaat ervan uit dat het van belang is een plan op te stellen (plan) over wat je wilt doen of maken. Vervolgens dit plan uit te voeren (do), waarna gecontroleerd wordt of het volgens plan is uitgevoerd (check). Eventueel geconstateerde afwijkingen worden in de act-fase bijgesteld om vervolgens weer van vooraf te beginnen. De ‘helling’ en de ‘wig’ in het model visualiseren de theoretisch continue kwaliteitsverbetering en noodzakelijke kwaliteitsborging die de opdrachtgever wenst.
Nederlandse en Amerikaanse bedrijven leren dat vooral het Nederlandse bedrijfsleven – dankzij onze vergadercultuur – in de plan- en check-fasen blijven steken. Het is opvallend hoe Amerikanen meer op de do- en act-fasen gefocust zijn. ‘Deming’ streeft naar een balans, waarbij alle fasen aandacht krijgen. Hoe dan ook kan het geen kwaad de praktijk meer aandacht te geven en de resultaten van alle vergaderingen, brochures (lees: plannen) en andere papieren communicatiemiddelen op een pragmatische wijze onder de aandacht te brengen van de mensen die er echt behoefte aan hebben.
Organisatie
In die zin kan ook de leer van Mintzberg daaraan een bijdrage leveren. Hij geeft aan hoe organisaties ingedeeld kunnen worden naar omvang, marktsegmenten, doelgroepen en producten. Voor elke combinatie bestaat een optimale organisatiestructuur, waaruit is te analyseren waarom bepaalde zaken wel of niet werken binnen (tijdelijke) organisaties. Voor bedrijven die werkzaam zijn in de ondergrondse infrastructuur kan simpelweg worden aangenomen dat Mintzberg voor hen een hiërarchisch model voorstaat. Geen ingewikkelde, verantwoordelijkheid ontlopende matrix, maar een herkenbaar hiërarchisch model met operationele bevoegdheid aan de basis en via de lijn een verbinding met het strategisch management aan de top van de organisatie. ‘Ondersteuning’ (administratie en dergelijke) vindt in de staforganisatie plaats, die evenals ‘specialisten’ buiten de operationele organisatie zijn geplaatst. Daar zit juist een belangrijk punt waar de wereld van de ondergrondse infrastructuur nog een lange weg heeft te gaan.
Kijken we naar de positionering van kwaliteitscontrolerende afdelingen, dan zijn deze veelal gehuisvest onder operationele groepen. Dit leidt onherroepelijk tot een belangenverstrengeling met de uitvoering (men controleert niet het werk van directe collegae) en het overnemen van de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van door derden geleverd werk. Dat laatste is echt een no go.
Welke andere branche je ook bestudeert, er blijkt altijd wel een onafhankelijke partij te bestaan die zich heeft toegelegd op het verifiëren van de kwaliteit. Haar positie ligt dan meestal tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Een belangrijke taak daarin is beide te informeren over het nakomen van afspraken en de beleving daarbij. Eventuele onderlinge discussies over de betrouwbaarheid van elkanders rapportages, en verantwoordelijkheden, belegt op de juiste plaats, hoeven dan niet meer voor te komen.
Instantie
Ligt het zodoende niet voor de hand een onafhankelijke instantie in te zetten die voor de betrokken partijen de verificatie van het werk (contract) op zich neemt? Slaan we daarmee niet twee – of meerdere – vliegen in één klap? De kwaliteit van het werk wordt geverifieerd namens de opdrachtgever; de opdrachtnemer kan direct aangeven waar zijn opdracht verbetering behoeft, en de beherende partij kan ‘gerust zijn’ dat zijn kabels of leidingen niet worden geraakt.
Frits de Ruyter de Wildt is directeur van ICon-services in Den Haag.
In ’t kort:
* Communicatie WIUON heeft gevolgen voor kwaliteit
* onafhankelijk auditen tijdens het graafproces
* blijf niet steken in plan- en check-fase
* hiërarchisch model met onafhankelijk gepositioneerde specialisten ligt voor de hand